Vul de som in die je wilt berekenen. Je kunt gehele getallen, kommagetallen, breuken (schrijf ze als deling, zoals 1/2), haakjes en machten (^2 of ²) gebruiken. Bij sommen met alleen optellen en aftrekken worden de stappen naar het antwoord ook op een getallenlijn getoond.
Inhoudsopgave
-
Wat je op deze pagina kunt doen
-
Waarvoor is deze berekening handig?
-
Zo werkt het
-
Formules en getallenlijn
-
Symbolen en begrippen
-
Handig om vooraf te weten
-
Berekenen met Excel
-
Berekenen met Google Spreadsheets
-
Berekenen met Python
-
De formule in LaTeX en andere wiskundenotaties (om te kopiëren)
-
Zo laat je ChatGPT de berekening doen
-
Kenmerken van DataChef
-
Gerelateerde functies
-
Alle rekenmachines van NumberChef
Wat je op deze pagina kunt doen
- Vul een som in met positieve en negatieve getallen, zoals -3+5-(-2), en je krijgt niet alleen het antwoord maar ook elke stap, in de volgorde die je op school leert
- Elke stap legt in gewone woorden uit welke regel voor het teken is gebruikt: “aftrekken is optellen van het tegengestelde”, “gelijke tekens geven +, verschillende tekens geven −” bij het weghalen van haakjes, en “een even aantal min-tekens geeft +, een oneven aantal geeft −” bij vermenigvuldigen en delen
- Bij sommen met alleen optellen en aftrekken kun je de berekening ook volgen als pijlen op een getallenlijn (+ naar rechts, − naar links)
- Gehele getallen, kommagetallen, breuken (invoeren als deling, zoals 1/2), haakjes binnen haakjes en machten (^2 of ²) werken allemaal. Ook het makkelijk te missen verschil tussen \((-2)^2\) en \(-2^2\) wordt goed verwerkt
- Komt een deling niet precies uit, dan staat het antwoord als exacte breuk in de eenvoudigste vorm, niet als afgerond kommagetal. Een heldere uitleg van de formules en formules om te kopiëren voor Excel, Google Spreadsheets en Python vind je ook op deze pagina
Waarvoor is deze berekening handig?
Een winterse voorspelling van “een minimum van −5 °C” is een van de bekendste negatieve getallen. Stijgt de temperatuur van −5 °C ’s ochtends naar 3 °C ’s middags, dan is de stijging 3 − (−5) = 8 °C, precies het “aftrekken van een negatief getal”.
Het verschil tussen de hoogste en de laagste temperatuur, of tussen vandaag en gisteren, vind je met dezelfde aftrekking, en “5 graden kouder dan gisteren” is hetzelfde als −5 optellen.
Schrijf je inkomsten als + en uitgaven als −, dan is het saldo van een maand de som van positieve en negatieve getallen. Bijvoorbeeld + € 2.500 (salaris), − € 1.700 (vaste lasten) en − € 450 (overige uitgaven) geven 2.500 − 1.700 − 450 = + € 350, een overschot.
De boekhouding van een bedrijf en de kasboek van een winkel werken op dezelfde manier. Totalen met verliezen (negatieve getallen) goed optellen is een basisvaardigheid voor het beheren van geld.
Hoogtes in Nederland worden gemeten ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil), dat ongeveer op zeeniveau ligt: hoogtes boven NAP zijn + en hoogtes eronder zijn −. De Vaalserberg, het hoogste punt van Nederland, ligt op 322 m boven NAP en het laagste punt, in de Zuidplaspolder, op ongeveer −7 m (6,76 m onder NAP). Het hoogteverschil is 322 − (−7) = 329 m, in één stap gevonden door een negatief getal af te trekken.
Hoogtes op kaarten en dieptes op zeekaarten gebruiken hetzelfde systeem, en positieve en negatieve getallen zijn onmisbaar voor verschillen die over het referentieniveau (NAP of zeeniveau) heen gaan.
Tijdzones worden geschreven als afwijkingen van een standaardtijd (UTC) met positieve en negatieve getallen, zoals +1 voor Amsterdam en −5 voor New York in de winter. Het tijdverschil tussen die twee is (+1) − (−5) = 6 uur, dus het aftrekken van een negatief getal.
Een gesprek plannen over tijdzones heen of de aankomsttijd van een vlucht uitrekenen, het steunt allebei op dit aftrekken met getallen met een teken.
Bij voetbal is het doelsaldo het aantal gemaakte doelpunten min het aantal tegendoelpunten. Een team met 45 voor en 32 tegen heeft een doelsaldo van +13, en een team met 38 voor en 51 tegen een doelsaldo van −13. Het verschil tussen die twee teams is (+13) − (−13) = 26, dus het eerste team staat 26 doelpunten voor.
Het doelsaldo wordt in veel competities, onder meer in de Eredivisie, gebruikt om teams met evenveel punten te rangschikken. Het is dus echt een getal met een teken (gemaakte doelpunten min tegendoelpunten).
Formules en getallenlijn
Symbolen en begrippen
Symbolen
| \(+\) | plus | Een teken met twee taken. Het geeft optellen aan, zoals in “3 + 5”, en het laat zien dat een getal groter is dan 0 (positief), zoals in “+3” (het positieve teken). Het positieve teken laat je meestal weg, dus 3 en +3 zijn hetzelfde getal. |
| \(-\) | min | Net als + een teken met twee taken. Het geeft aftrekken aan, zoals in “5 − 3”, en het laat zien dat een getal kleiner is dan 0 (negatief), zoals in “−3” (het negatieve teken). Kunnen wisselen tussen deze twee taken (een aftrekking schrijven als optellen van een negatief getal) is de sleutel tot rekenen met positieve en negatieve getallen. |
| \(\times,\ \div\) | maal, gedeeld door | De tekens voor vermenigvuldigen en delen. In een som reken je die uit vóór optellen en aftrekken. Op een toetsenbord gebruik je meestal * voor × en / voor ÷, en deze rekenmachine accepteert beide. In Nederlandse schoolboeken wordt delen vaak met een dubbele punt (:) geschreven; hier gebruik je ÷ of /. |
| \((\ )\) | haakjes | Tekens die een deel van een berekening groeperen. Wat tussen haakjes staat, reken je eerst uit. Ze sluiten ook een negatief getal in als een bewerkingsteken en een teken van een getal naast elkaar zouden staan, zoals in “5 − (−2)” (zodat er nooit twee tekens naast elkaar staan, zoals − −). |
| \(a^{2}\) | a kwadraat | Zo schrijf je een macht. Het kleine getal rechtsboven (de exponent) geeft aan hoeveel factoren van hetzelfde getal met elkaar worden vermenigvuldigd, dus \(a^2 = a \times a\). De exponent geldt alleen voor wat direct links ervan staat, dus \((-2)^2 = +4\) en \(-2^2 = -4\) zijn verschillende uitdrukkingen. |
Begrippen
| positief getal | Een getal groter dan 0, zoals +3 of 2,5. Op een getallenlijn staat het rechts van 0. Het + teken kun je weglaten, dus alle gewone getallen die je tot nu toe hebt gebruikt zijn positieve getallen. |
| negatief getal | Een getal kleiner dan 0, zoals −3 of −0,5. Op een getallenlijn staat het links van 0. Je gebruikt het voor hoeveelheden onder een referentiepunt of in de tegengestelde richting, zoals een temperatuur van −5 °C of een saldo van − € 300 (een verlies). 0 is niet positief en niet negatief. |
| teken | Het + of − voor een getal. Een getal met + (of zonder iets) is positief en een getal met − is negatief. Rekenen met positieve en negatieve getallen bestaat altijd uit twee delen: het teken bepalen en de absolute waarde uitrekenen. |
| absolute waarde | De afstand van een getal tot 0 op de getallenlijn. Het is de grootte van het getal zonder teken: de absolute waarde van −5 is 5 en van +3 is 3. Alle regels voor het teken bij optellen en vermenigvuldigen worden gegeven met het teken en de absolute waarde. |
| term | Elk afzonderlijk getal als je een som schrijft als alleen optellingen. −3 + 5 − (−2) wordt −3 + 5 + 2, met drie termen: −3, +5 en +2. |
| gelijke tekens | Als twee getallen hetzelfde teken hebben (+ en +, of − en −). Zowel de regels voor optellen als de regels voor het weghalen van haakjes hangen ervan af of de tekens gelijk of verschillend zijn. |
| verschillende tekens | Als twee getallen verschillende tekens hebben (+ en −). Zowel de regels voor optellen als de regels voor het weghalen van haakjes hangen ervan af of de tekens gelijk of verschillend zijn. |
| hoofdbewerking | Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen samen, de vier hoofdbewerkingen. Een som waarin ze door elkaar staan, werk je uit in de rekenvolgorde. |
| optellen | Getallen samenvoegen tot een som. Bij positieve en negatieve getallen is het uitgangspunt dat elke aftrekking kan worden omgezet in een optelling door het teken van het af te trekken getal om te keren. |
| aftrekken | Een getal van een ander getal afhalen om het verschil te vinden. Bij positieve en negatieve getallen schrijf je aftrekken als optellen van het tegengestelde van het af te trekken getal. |
| vermenigvuldigen | Een product bepalen. In een som doe je het vóór optellen en aftrekken. Het teken van het antwoord is + bij een even aantal negatieve getallen en − bij een oneven aantal. |
| delen | Een quotiënt bepalen. In een som doe je het vóór optellen en aftrekken. Net als bij vermenigvuldigen is het teken van het antwoord + bij een even aantal negatieve getallen en − bij een oneven aantal. |
| macht | Hetzelfde getal meerdere keren met zichzelf vermenigvuldigen, geschreven zoals \((-2)^3 = (-2) \times (-2) \times (-2) = -8\). Het kleine getal rechtsboven (de exponent) geeft aan hoeveel factoren worden vermenigvuldigd. Machten reken je uit vóór vermenigvuldigen en delen. |
| exponent | Het kleine getal rechtsboven bij een macht. Het geeft aan hoeveel factoren worden vermenigvuldigd. De exponent geldt alleen voor wat direct links ervan staat, dus haakjes veranderen het antwoord: \((-2)^2 = +4\) maar \(-2^2 = -4\). |
| getallenlijn | Een tekening die getallen laat zien als punten op een rechte lijn. Positieve getallen staan rechts van 0 en negatieve getallen links, en getallen worden groter naar rechts. Optellen kun je tonen als pijlen (naar rechts voor +, naar links voor −), een mooie manier om je positieve en negatieve getallen voor te stellen. |
| omgekeerde | Het getal waarmee je vermenigvuldigt om 1 te krijgen. Het omgekeerde van \(\dfrac{2}{3}\) is \(\dfrac{3}{2}\). Delen door een breuk doe je door te vermenigvuldigen met het omgekeerde. Let op dat het teken niet verandert (het omgekeerde van een negatief getal is nog steeds negatief). |
Handig om vooraf te weten
Dit helpt je om de berekening op deze pagina echt te begrijpen, en niet alleen op de knop te drukken.
Kom je er niet uit, dan is het herhalen van deze onderwerpen de snelste weg vooruit.
| Rekenen met gehele getallen en kommagetallen (groep 3-8, 6-12 jaar) |
|
| Rekenen met breuken (groep 5-8, 8-12 jaar) |
|
| Rekenvolgorde (groep 7-8, 10-12 jaar) |
|
| De getallenlijn (groep 4-8 en klas 1, 7-13 jaar) |
|
Berekenen met Excel
| Som (typ = en dan de som) | =-3+5-(-2) |
| Getal a | -3 |
| Getal b | -4 |
| Som a+b | =B1+B2 |
| Getal a | -3 |
| Getal b | 5 |
| Som a+b | =B1+B2 |
| Getal a | 8 |
| Af te trekken getal b | -5 |
| Verschil a−b | =B1-B2 |
| Getal a | -2 |
| Getal b | -3 |
| Product a×b | =B1*B2 |
| Quotiënt a÷b | =B1/B2 |
| Getal a | -3 |
| Exponent n | 2 |
| Macht a^n | =B1^B2 |
De andere tabellen controleren de regels voor het teken uit het onderdeel “Formule” met celverwijzingen. Het voorbeeld van optellen met gelijke tekens geeft −7, het voorbeeld met verschillende tekens geeft 2, het voorbeeld van aftrekken geeft 8−(−5) = 13 en het voorbeeld van vermenigvuldigen geeft (−2)×(−3) = 6.
De tabel met machten gebruikt celverwijzingen (=B1^B2), dus die geeft (−3)² = 9, zoals in de wiskunde. Maar als je “=-3^2” rechtstreeks typt, geeft Excel 9, omdat het het min-teken voorop eerst toepast vóór de macht (het omgekeerde van de wiskundige afspraak, −3² = −9). Wil je −3², typ dan “=-(3^2)”.
Berekenen met Google Spreadsheets
| Som (typ = en dan de som) | =-3+5-(-2) |
| Getal a | -3 |
| Getal b | -4 |
| Som a+b | =B1+B2 |
| Getal a | -3 |
| Getal b | 5 |
| Som a+b | =B1+B2 |
| Getal a | 8 |
| Af te trekken getal b | -5 |
| Verschil a−b | =B1-B2 |
| Getal a | -2 |
| Getal b | -3 |
| Product a×b | =B1*B2 |
| Quotiënt a÷b | =B1/B2 |
| Getal a | -3 |
| Exponent n | 2 |
| Macht a^n | =B1^B2 |
Ook Google Spreadsheets geeft 9 als je “=-3^2” rechtstreeks typt (het min-teken voorop komt vóór de macht), net als Excel. Wil je −3², typ dan “=-(3^2)”.
Berekenen met Python
from fractions import Fraction
# Schrijf de som gewoon op (× is *, ÷ is /, een macht is **)
# Python behandelt tekens net als in de wiskunde: -2**2 is -(2 in het kwadraat) = -4
result = -3 + 5 - (-2)
print(f"Antwoord: {result}")
# Bij sommen met een deling bewaart Fraction de exacte waarde als breuk zonder afrondingsfout
exact_value = Fraction(6) / (-4) + 1 # 6 ÷ (−4) + 1
print(f"Antwoord als breuk: {exact_value}")
print(f"Als kommagetal: {float(exact_value)}")
De formule in LaTeX en andere wiskundenotaties (om te kopiëren)
(−a) + (−b) = −(a + b)
(-a) + (-b) = -(a + b)
<math xmlns="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" display="block">
<mrow>
<mo>(</mo><mo>−</mo><mi>a</mi><mo>)</mo>
<mo>+</mo>
<mo>(</mo><mo>−</mo><mi>b</mi><mo>)</mo>
<mo>=</mo>
<mo>−</mo><mo>(</mo><mi>a</mi><mo>+</mo><mi>b</mi><mo>)</mo>
</mrow>
</math>
(-a) + (-b) = -(a + b)
(-a) + (-b)
(-a) + (-b);
(-a) + (-b)
(-a) + (-b) = -(a + b)
(−a) + b = +(b − a) (when 0 < a < b)
(-a) + b = +(b - a) \quad (0 < a < b)
<math xmlns="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" display="block">
<mrow>
<mo>(</mo><mo>−</mo><mi>a</mi><mo>)</mo>
<mo>+</mo>
<mi>b</mi>
<mo>=</mo>
<mo>+</mo><mo>(</mo><mi>b</mi><mo>−</mo><mi>a</mi><mo>)</mo>
</mrow>
</math>
(-a) + b = +(b - a)
(-a) + b
(-a) + b;
(-a) + b
(-a) + b = +(b - a)
a − (−b) = a + b
a - (-b) = a + b
<math xmlns="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" display="block">
<mrow>
<mi>a</mi>
<mo>−</mo>
<mo>(</mo><mo>−</mo><mi>b</mi><mo>)</mo>
<mo>=</mo>
<mi>a</mi><mo>+</mo><mi>b</mi>
</mrow>
</math>
a - (-b) = a + b
a - (-b)
a - (-b);
a - (-b)
a - (-b) = a + b
(−a) × (−b) = +ab
(-a) \times (-b) = +ab
<math xmlns="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" display="block">
<mrow>
<mo>(</mo><mo>−</mo><mi>a</mi><mo>)</mo>
<mo>×</mo>
<mo>(</mo><mo>−</mo><mi>b</mi><mo>)</mo>
<mo>=</mo>
<mo>+</mo><mi>a</mi><mi>b</mi>
</mrow>
</math>
(-a) xx (-b) = +ab
(-a) * (-b)
(-a) * (-b);
(-a) * (-b)
(-a) × (-b) = +ab
(−a)² = +a², −a² = −(a × a)
(-a)^{2} = +a^{2}, \quad -a^{2} = -(a \times a)
<math xmlns="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" display="block">
<mrow>
<msup><mrow><mo>(</mo><mo>−</mo><mi>a</mi><mo>)</mo></mrow><mn>2</mn></msup>
<mo>=</mo>
<mo>+</mo><msup><mi>a</mi><mn>2</mn></msup>
<mo>,</mo>
<mo>−</mo><msup><mi>a</mi><mn>2</mn></msup>
<mo>=</mo>
<mo>−</mo><mo>(</mo><mi>a</mi><mo>×</mo><mi>a</mi><mo>)</mo>
</mrow>
</math>
(-a)^2 = +a^2, -a^2 = -(a xx a)
{(-a)^2, -a^2}
(-a)^2; -a^2;
[(-a)^2, -a^2]
(-a)^2 = +a^2, -a^2 = -(a × a)
Zo laat je ChatGPT de berekening doen
Je bent een rekenassistent voor wiskunde (onderbouw voortgezet onderwijs). Voer de volgende berekening uit door daadwerkelijk Python-code uit te voeren en baseer je antwoord alleen op de getallen uit het resultaat van de uitvoering (geef geen antwoord op basis van hoofdrekenen of gokken). Bereken elk van de volgende sommen met positieve en negatieve getallen. 1. -3+5-(-2) 2. (-2)×(-3)-4 3. 6÷(-2)+1 4. (-2)^2 en -2^2 (leg ook het verschil tussen die twee uit) Verander in Python × in *, ÷ in / en machten in **, en reken sommen met een deling exact uit met de module fractions uit de standaardbibliotheek. Leg bij elke som de gebruikte regels voor het teken uit (gelijke of verschillende tekens, hoeveel negatieve getallen) in woorden die een leerling van klas 1 (12-13 jaar) begrijpt, en laat de formules zien die je hebt gebruikt en de getallen uit het resultaat van de uitvoering.
Zo werkt het
-
1Vul je getallen inTyp de getallen waarmee je wilt rekenen in de invoervelden
-
2BerekenKlik op de knop “Berekenen”
-
3Bekijk het resultaatHet resultaat verschijnt meteen. Op dezelfde pagina vind je ook de uitwerking van de berekening en de uitleg van de formule
Kenmerken van DataChef
Geen voorkennis nodig – intuïtieve en eenvoudige bediening
Zonder persoonlijke gegevens op te geven
Bestand wordt automatisch verwijderd zodra je op "Downloaden" klikt
Geen bronvermelding vereist
Geen toestemming vooraf nodig